Blog

Hendrik Joppers en de vriendelijkheid

Hendrik Joppers was een vriendelijke jongen. Hij zei tegen iedereen ‘hallo’ en ‘hoi’, ook tegen mensen die hij niet kende. Hij deed dat natuurlijk niet altijd en overal. Op een koopavond in een drukke winkelstraat was er bijvoorbeeld geen beginnen aan. Maar als hij ’s morgens ergens in een rustige straat liep en iemand tegenkwam, dan zei hij wél altijd ‘hallo’ of ‘hoi. En soms ook wel eens ‘morgen’. Daarmee bedoelde hij dan ‘goedemorgen’. Hij probeerde de eerste lettergreep van ‘morgen’ altijd met een diepe stem uit te spreken, waarbij hij de ‘r’ wegliet, terwijl hij van de tweede lettergreep de slot-n niet uitsprak: ‘Moggu.’
Het klonk erg volwassen, vond hij. Misschien wel een beetje te. Daarom zei hij het ook niet al te vaak, want hij wilde zeker niet overkomen als dat jongetje dat hij op zaterdagmorgen wel eens groente zag helpen verkopen op de markt. Die riep en schreeuwde dingen die eigenlijk alleen maar grote mensen roepen en schreeuwen: ‘Ja, mevrouwtje, kijk eens wat een mooie tomaten. Vandaag een hele kilo voor maar 50 eurocentjes, mevrouwtje.’
Dat vond Hendrik heel erg overdreven, tenminste voor een jongen van 12 jaar, want zo oud dacht hij dat het groentemannetje was.
Maar zijn eigen ‘moggu’ klonk hem dus ook een beetje overdreven in de oren. Daarom zei hij het ook niet al te vaak. Meestal hield hij het op ‘hallo’ of ‘hoi’. En dat paste inderdaad ook beter bij hem.

Het viel Hendrik op dat er nogal veel mensen waren die helemaal niets terugzeiden. Sommigen keken hem zelfs onvriendelijk, nors of dreigend aan als hij hen groette. Dat vond Hendrik raar, want hij deed toch niemand kwaad door ‘hallo’ of ‘hoi’ te zeggen. Integendeel: het was juist aardig bedoeld. Maar de mensen die niets terugzeiden, wilden dat blijkbaar niet begrijpen. Het leek erop dat ze altijd chagrijnig waren. Maar waarom?
Hendrik wist het niet, maar hij wilde het wel graag weten. Daarom besloot hij het gewoon maar eens te vragen.
De eerste aan wie hij het vroeg was een meneer die met zijn hond aan het wandelen was. Hendrik kwam hem tegen toen hij ’s morgens naar school toe liep.
‘Hallo’ zei hij heel vriendelijk tegen de man.
Maar de man zei niets terug.
Hendrik bleef stil staan en zei: ‘Ik zei “hallo” en u zegt niets terug.’
‘Nee, moet dat dan?’, chagrijnde de man.
‘Nee, het moet niet’, zei Hendrik, ‘maar waaróm zegt u niets terug?’
‘Omdat ik daar geen zin in heb’, zei de man nors.
‘Maar vindt u het dan niet fijn als anderen u groeten?’, vroeg Hendrik.
‘Het maakt me niks uit’, snauwde de man, ‘de mensen moeten doen wat ze niet laten kunnen. En jij bekijkt het maar.’ En hij liep door.
Het was Hendrik opgevallen dat de hond die de man bij zich had, net zo chagrijnig keek als de man zelf. Misschien deed de man nooit aardig tegen de hond. Maar het kon natuurlijk ook zo zijn dat de hond de man chagrijnig maakte.
‘Wafwaf’, hoorde hij nu.
De hond van de man stond een eind verderop tegen een andere hond te blaffen. Het klonk niet bepaald als ‘hallo’ of ‘hoi’, maar eerder als ‘scheer je weg’. Maar dat wist Hendrik natuurlijk niet zeker.

Onderweg naar school kwam Hendrik die morgen gelukkig ook mensen tegen die juist wel heel vriendelijk teruggroetten als hij ‘hallo’ of ‘hoi’ zei. Er was zelfs een meneer die als eerste iets zei, dus nog voordat Hendrik iets had kunnen zeggen.
‘Moggu.’
‘Hallo.’
En even later was er nog zo’n meneer, die ook al ‘moggu’ zei, waarop Hendrik het zelf ook maar weer eens probeerde: ‘Moggu.’
Het klonk heel goed deze keer.
Toen hij vlak bij school was, kwam hij weer iemand tegen die helemaal niets zei. Het was een jongen van een jaar of 20. Hendrik had ‘hoi’ tegen hem gezegd, maar de jongen zweeg als het graf.
‘Hoi’, zei Hendrik nog eens nadrukkelijk.
‘Mot je wat?’, vroeg de jongen nu vijandig, terwijl hij stil bleef staan.
‘Misschien een groet terug?’, antwoordde Hendrik vriendelijk, die inmiddels ook stil was blijven staan.
‘Een knal voor je kop zul je bedoelen’, zei de jongen.
‘N…nou nee, liever niet’, bracht Hendrik er geschrokken uit.
‘Val me dan niet lastig’, zei de jongen.
‘Ik probeer juist vriendelijk te zijn’, reageerde Hendrik.
‘Je moet gewoon je kop houden’, zei de jongen.
‘Maar waarom?’, durfde Hendrik te vragen.
‘Omdat ik helemaal niets met jou te maken heb’, zei de jongen.
‘Ja, maar …’, zei Hendrik, die er nog iets aan toe wilde voegen, al wist hij niet precies wat. Maar het hoefde al niet meer, want de jongen was intussen doorgelopen.

Op school zat Hendrik aan het begin van het kringgesprek, waarmee de schooldag altijd begon, nog na te denken over wat er onderweg gebeurd was, toen de juffrouw hem vroeg of hij iets wilde vertellen.
‘Ja’, zei Hendrik, ‘ik heb eigenlijk een vraag of misschien meer een probleem.’
‘En wat is dat?’, vroeg de juffrouw.
‘Ik probeer tegen iedereen vriendelijk te doen’, zei Hendrik, ‘maar sommige mensen vinden dat helemaal niet fijn. Ze hebben liever niet dat ze gegroet worden. En dat vind ik zo raar.’
‘Wat bedoel je precies?’, vroeg de juffrouw.
Hendrik legde daarop uit wat hem die morgen overkomen was.
‘Interessant’, zei de juffrouw toen Hendrik uitverteld was. ‘Heel interessant en eigenlijk wel een mooi onderwerp waar we vandaag wat mee kunnen doen. Laat me even nadenken …’
Het was enkele ogenblikken stil en toen zei de juffrouw: ‘Ik weet het. Vandaag gaat iedereen heel vriendelijk doen en dan gaan we kijken wat de reacties daarop zijn.’
‘Hoe bedoelt u?’, vroeg Binkie Baars.
‘Nou’, zei de juffrouw, ‘ik dacht het volgende.’
Weer zweeg ze even en toen zei ze: ‘Jullie gaan in groepjes van twee een tijdje door de straten lopen en onderweg doe je zo vriendelijk mogelijk. En dan moet je kijken hoe de reacties zijn. Iedereen mag anderhalf uur wegblijven. Als je terugkomt, ga je de reacties opschrijven in een opstel.’
‘Maar wat is vriendelijk doen precies?’, vroeg Coby Aarsema.
‘Dat is een goede vraag’, zei de juffrouw, ‘want dat moeten we inderdaad wel precies weten. Pak het woordenboek eens.’
Coby stond op, liet naar het boekenrek achter in de klas en pakte het dikke blauwe woordenboek dat er stond. Ze sloeg het open.
‘Lees maar eens hardop voor wat er bij “vriendelijk” staat’, zei de juffrouw.
Coby kuchte een keer en las toen: ‘Aardig, welwillend, voorkomend.’
‘Dank je, Coby’, zei de juffrouw, die zelf probeerde nog vriendelijker te doen dan ze meestal toch al deed. ‘Aardig, welwillend, voorkomend’, herhaalde ze. ‘Het woord “aardig” kennen we allemaal, maar wie weet wat “welwillend” en “voorkomend” betekenen?’
Pst, pst, pst, pst.
Er gingen meteen wel tien vingers de lucht in.
‘Jasperine’, zei de juffrouw.
‘Die woorden betekenen dat je anderen wilt helpen’, zei Jasperine.
‘Precies’, zei de juffrouw. ‘In “welwillend” heeft “wel” de betekenis “goed”; wie “welwillend” is, wil goed zijn voor anderen. En als je voorkomend bent, wil je dat ook, bijvoorbeeld door netjes de deur open te houden als iemand achter je loopt die nog door dezelfde deur moet. Soms zeggen mensen ook tegen je: “Dat is heel vriendelijk van je”, als je iets gedaan hebt. Dan weet je dat je welwillend en voorkomend bent geweest.’
‘Papiertjes en blikjes oprapen die op straat liggen, is dat ook vriendelijk?’, vroeg Corneel van Dam.
‘Nee, of nou ja, eigenlijk wel, want dan ben je milieuvriendelijk, maar we bedoelen hier eigenlijk mensvriendelijk’, antwoordde de juffrouw.
‘Juffrouw, juffrouw’, riep Hepie Hilgersma, die bijna ging staan om de aandacht van de juffrouw te krijgen.
‘Hepie, zeg ’t maar’, zei de juffrouw.
‘Mijn ouders hebben een winkel, een kledingzaak …’
‘Dat weet ik, Hepie.’
‘En ze zeggen altijd dat je klantvriendelijk moet zijn. Is dat ook mensvriendelijk?’, vroeg Hepie.
‘Jazeker’, zei de juffrouw, ‘want een klant is een mens.’
‘Dat dacht ik al’, zei Hepie, die gerustgesteld leek en terugzakte op haar stoel.
‘Zijn er nog meer vragen?’, vroeg de juffrouw.
Niemand stak meer een hand op.
‘Goed’, zei de juffrouw, ‘dan verdeel ik de klas nu in groepjes van twee en dan ga je dus gewoon door de straten lopen en probeer je zo vriendelijk mogelijk te zijn. Je moet natuurlijk niet gaan overdrijven. Je moet bijvoorbeeld niet gaan buigen als er mensen voorbijkomen en je moet ook niet voor een wildvreemde het portier van een auto openhouden. We spreken af dat je tot halfelf wat gaat rondlopen. Om vijf over halfelf ben je allemaal weer terug in de klas. En dan begin je meteen aan je opstel, dat je om kwart over twaalf af moet hebben. En iedereen maakt een eigen opstel. Je gaat dus wel met z’n tweeën op pad, maar daarna schrijf je allemaal zelf een opstel.’

Even later vertrok de hele klas naar buiten. Hendrik vormde een groepje met Jasperine. Daar was hij blij om, want hij vond Jasperine heel aardig. Meer dan heel aardig zelfs.
Bij het naar buiten gaan, hield Hendrik de deur voor Jasperine open.
‘Heel vriendelijk van je’, zei ze.
‘Graag gedaan’, zei Hendrik.
‘Welke kant lopen we op?’, vroeg Jasperine.
‘Jij mag het zeggen’, zei Hendrik.
‘Dat is opnieuw heel vriendelijk van je’, zei Jasperine. ‘Laat me even denken …Ja, ik weet het, we lopen naar het verzorgingstehuis drie straten verderop. Mijn oma woont er. Ik kom er dus vaak en daar kun je heel gemakkelijk heel vriendelijk zijn.’
‘Dan moeten we er juist niet naartoe gaan’, zei Hendrik, ‘want dan is het te gemakkelijk.’
‘Dat is waar’, zei Jasperine, ‘maar weet jij iets beters?’
‘We zouden misschien naar de plek bij het station kunnen lopen waar al die junkies altijd komen’, zei Hendrik. ‘Ik wil wel eens weten hoe zij op vriendelijkheid reageren.’
‘Durf je ernaartoe?’, vroeg Jasperine.
‘Met jou erbij wel’, zei Hendrik.
‘Dat is vriendelijk gezegd’, zei Jasperine. En ze zei er meteen achteraan: ‘Oké, dan doen we dat.’
Zo gingen ze op weg naar de junkplek, die op ongeveer twintig minuten lopen lag. Het was best een eind, maar onderweg kwamen ze natuurlijk ook wel af en toe mensen tegen. En tegen hen konden ze ook al vriendelijk doen. Ze knikten naar iedereen en zeiden ‘hallo’ of ‘hoi’. Ook hielpen ze een klein kind overeind dat over een stoeptegel was gestruikeld. En ze waren bovenal heel vriendelijk tegen elkaar.
‘Zou je me een keer heel vriendelijk willen zoenen’, vroeg Jasperine opeens, toen ze ongeveer halfweg waren.
Hendrik keek haar verbaasd aan.
‘Hoe gaat dat?’, vroeg hij.
‘Ik zal het voordoen’, zei Jasperine, die blijkbaar ervaring had in vriendelijk zoenen. Ze stopten allebei met lopen. Jasperine bracht haar hoofd heel dicht bij het hoofd van Hendrik, tuitte haar lippen en gaf hem een zoen op zijn neus.
‘Het kan overal hoor’, zei ze er meteen bij. ‘Als het maar zacht is en je moet je lippen duidelijk naar voren doen. Probeer het maar eens bij mij.’
Hendrik boog zijn hoofd naar voren, tuitte zijn lippen en zoende Jasperine zacht op haar kin. Hendrik vond het wel een rare plek. Maar ja, Jasperine had hem ook op een rare plek gezoend. Misschien moest dat bij vriendelijk zoenen. Hij had het in ieder geval niet gedurfd om haar zomaar op haar mond te zoenen.
‘Goedzo’, zei Jasperine, die zelf haar kin inderdaad geen rare plek leek te vinden voor een vriendelijke zoen.
Ze liepen weer verder, want ze moesten natuurlijk wel een beetje opschieten. Twintig minuten heen, twintig minuten terug. Dat is al bijna drie kwartier. Bovendien deden ze er door al hun vriendelijkheden onderweg zelfs nog wat langer over. En in totaal hadden ze maar twee keer drie kwartier de tijd.

Bij de junkplaats was het niet druk. Dat kwam misschien omdat het nog vroeg was. ‘Junkies slapen wat langer dan andere mensen, denk ik’, zei Hendrik tegen Jasperine.
Jasperine knikte en keek naar de enige vier junks die er waren. Ze zaten tegen een bouwkeet op de grond.
‘Hallo hoi’, zei Hendrik heel vriendelijk tegen de vier.
‘Hoihoi’, voegde Jasperine eraan toen.
Maar de junks reageerden niet. Ze keken wel op, maar dat ging heel traag en hun ogen stonden heel vermoeid en glazig. Zeggen deden ze niks. Een van de vier mompelde wel wat, maar dat was iets onverstaanbaars.
‘Gaat het een beetje, jongens?’, vroeg Hendrik vriendelijk.
Er volgde aanvankelijk nog steeds geen reactie, maar na een minuut of zo zei een van de junks: ‘Heb je wat te paffen voor ons?’
‘Hé, man, het zijn kinderen’, zei een tweede junk tegen de junk die iets te roken had gevraagd.
‘We roken allebei niet’, zei Jasperine.
‘Goedzo’, zei een derde junk, ‘volhouden.’
Hij had zelf een peukje tussen zijn vingers zitten dat zo klein was dat het nauwelijks zichtbaar was.
‘Dat is vriendelijk dat u dat zegt’, zei Jasperine.
‘Ja, Marius hier is de vriendelijkheid zelve’, zei de vierde junk.
‘Hou je kop, jij’, riep Marius tegen hem.
‘Alleen tegen mij is hij niet vriendelijk’, zei de vierde junk.
‘Hou je bek, man’, schreeuwde Marius nu.
‘Rustig maar, rustig maar’, zei de vierde junk, ‘ik zeg al niks meer.’
‘Kunnen we iets voor jullie doen?’, vroeg Hendrik.
‘Waar denk je zelf aan?’, vroeg de junk die Marius heette. ‘Denk je dat ergens wat speed voor ons kunt scoren?’
‘Ik zit niet meer op voetbal’, zei Hendrik.
Marius begon te lachen en de andere junks lachten met hem mee.
‘Nee, ik denk niet dat jullie iets voor ons kunnen doen’, zei Marius nadat hij was uitgelachen. ‘Het is vriendelijk aangeboden van je, maar je kunt ons soort mensen maar beter niet te veel van dienst willen zijn, want dan loopt het slecht met je af.’
Een van de junks kwam nu moeizaam overeind. Hij hield zich vast aan de bouwkeet en ging langzaam staan.
‘Wat ga jij doen?’, vroeg Marius.
‘Een meissie pakken’, zei de staande junk, die nu plotseling heel vlug werd en Jasperine vastpakte. Die schrok enorm en probeerde zich los te rukken. ‘Laat los’, schreeuwde een van de andere junks. ‘Laat los’, schreeuwde ook Hendrik. Maar de junk liet niet los.
‘Engerd’, riep Jasperine.
Twee van de andere junks gingen nu ook staan, maar de junk die Jasperine had vastgepakt was intussen al een eind van de bouwkeet vandaan gelopen, terwijl hij Jasperine nog altijd vasthield.
‘Help’, schreeuwde Jasperine.
Daarop vergat Hendrik alle vriendelijkheid die hij in zich had. Hij zat weliswaar al een tijdje niet meer op voetballen, maar hij wist nog wel hoe je moest schoppen. Hij liep naar de junk toe die Jasperine vasthield, haalde uit met zijn rechtervoet en schopte de junk keihard tegen zijn schenen.
‘Au’, riep de junk, en hij liet Jasperine onmiddellijk los.
‘Kom, rennen’, riep Hendrik.
Hij gaf Jasperine een hand en samen renden ze weg van de junkplek. Ze stopten pas toen ze een paar honderd meter verder waren. Ze keken om, maar niemand van de junks was hen achternagekomen.
‘Gaat het?’, vroeg Hendrik aan Jasperine.
Jasperine knikte hijgend.
Hendrik pakte haar hand vast. ‘Wat een klootzak’, zei hij.
‘Dat is geen vriendelijke opmerking’, zei Jasperine, die snel van de schrik bekomen was.
‘Maar het is toch ook een klootzak’, zei Hendrik, die nu even geen tijd had om ‘hallo’ te zeggen tegen een mevrouw die heel vriendelijk naar hem en naar Jasperine knikte.
Jasperine zei ook niets tegen de vrouw.
‘Wat moeten we nu in dat opstel schrijven?’, vroeg Hendrik aan Jasperine.
‘De waarheid’, zei Jasperine.
‘En die is?’, vroeg Hendrik.
‘Wees vriendelijk en op je hoede’, zei Jasperine.
‘En dat is?’, vroeg Hendrik.
‘Nou, dat je moet proberen vriendelijk te zijn, maar dat je ook goed moet opletten omdat niet alle mensen even vriendelijke bedoelingen hebben’, zei Jasperine.
‘Zoals die junk’, zei Hendrik, die nog altijd boos was.
‘Laten we hem vergeten’, zei Jasperine. ‘Laten we nog even proberen vriendelijk tegen iedereen te zijn.’
‘Dag meneer’, zei ze zelf meteen tegen een meneer die voorbij kwam fietsen.
‘Dag jongelui’, zei de man.
Hendrik probeerde vriendelijk naar de man te glimlachen, maar het ging maar moeizaam.
‘Kom op nou’, zei Jasperine. ‘Die hele opdracht die de juffrouw ons gegeven heeft, was eigenlijk jouw idee. Dus je moet nu niet gaan chagrijnen.’
‘Ja, maar ik ben een beetje teleurgesteld’, zei Hendrik.
‘Bah, toe nou, waarom nou?’, zei Jasperine, ‘dat hoeft echt niet. En bovendien hoezo “teleurgesteld”? Dat zijn toch alleen grote mensen. Kinderen zijn blij, wild of woest, maar niet teleurgesteld.’
‘Nee, maar toch’, zei Hendrik.
‘Hoi’, zei Jasperine nu tegen een klein jongetje dat samen met zijn moeder voorbij kwam lopen.
Het jongetje lachte verlegen en stak het wijsvingertje van zijn rechterhand de lucht in.
Hendrik moest erom lachen en stak zelf ook een wijsvinger in de lucht.
‘Wat een vriendelijke kinderen, hè’, hoorde hij de moeder tegen het kleine jongetje zeggen.
Hendrik voelde nu dat de boosheid weg was. Hij wachtte tot er verder niemand meer in de buurt was en vroeg toen aan Jasperine: ‘Zullen we nog één keertje vriendelijk zoenen?’
Jasperine keek hem vriendelijk aan.
‘Wil je dat echt?’, vroeg ze.
Hendrik knikte.
‘Leuk’, zei Jasperine. ‘Ik begin.’ 

  • Amazonenlaan 39 5631KX Eindhoven
  • |
  • mob. 06 - 488 149 76
  • |
  • tel. 040 - 24 64 993
  • |
  • info@wimdaniels.nl